We zijn argeloos vertrokken, samen
zonder achterom te kijken.

We hadden reisdoel noch bagage
maar konden simpelweg niet blijven.

We waren altijd onderweg
betraden steeds een ander front.

Samen uit, nergens thuis en soms
waan ik jou nog in mijn nabijheid.

We hielden geen gelijke tred
nu de bestemming naderbij komt
raak jij verder achterop.

Ik had langer op je kunnen wachten
toch heb ik dat niet gedaan.

Ik ben gaandeweg gaan inzien
hoe ik van jou ben losgeraakt.

We zijn argeloos vertrokken, samen
zonder elkaar aan te kijken.

Ik ben nog altijd onderweg
jij bent misschien al teruggegaan.

Gedicht: J. van Vliet
Lino: Marjon Euser